’t Begin der maand, ’t begin van ’t jaar,
mijn geur’ge roosmarijn aldaar,
moge ’t jaar~ moge ’t jaar gezegend wezen,
in de kerk~ in de kerk den Heer geprezen.
Toen Christus werd geboor’n op aard’
als kind, het godlyk, heilig waard,
om zo toch~ om zo toch met ons te toeven,
en zich met~ en zich met ons te verzoenen.
Ziet, daar komt uit het verre land
de bisschop met de staf in hand;
O, Basi~ O, Basilius de Grote,
met het zon~ met het zonlicht overgoten.
Zie, Vader, mij, het lief klein kind,
hoe Gij mij schoon met penne vindt,
schrijvend al~ schrijvend al mijn zoetste wensen,
voor ’t nieuw jaar~ voor ’t nieuw jaar, aan alle mensen.
De schrijfpen in de nacht schreef door,
van elke wens en droom een spoor,
op het blad~ op het blad nu al mijn zorgen,
O, Basi~ O, Basilius, voor morgen!
Ook dit nieuw jaar, met dit in geest,
start met het heil’g Besnijd’nisfeest,
samen met~ samen met het feest des Heren,
ook Basi~ ook Basilius ter ere.
Moge ’t nieuw jaar godsvruchtig zijn:
Christus spoort aan te leven rein,
al het kwaa~ al het kwade nu ontvluchtend,
ons met deugd~ ons met deugdzaamheid betooiend.
Laat ons nu zijn zoals het hoort,
volgens het evangelisch woord,
vol van lie~ vol van liefde en met vrede,
met rechtvaa~ met rechtvaardigheid en bede.
Nog vele jaren zegenrijk,
voor u, uw huis en heel de wijk,
vreugdevol~ vreugdevol en immer blijde,
in den Geest~ in den Geest, ten allen tijde.